Communistische Arbeiders Partij, Noorwegen (AKP)

De politieke economie
van de milieubescherming

Pål Steigan

1992 - Norsk utgave

Nederlandse artikelen ||| Pagina van AKP


Marx had duidelijk uitgesproken stellingen over de relatie tussen kapitaal en natuur. Die stellingen stonden niet in een of andere brief aan Engels of ergens als noot onderaan een pagina. Nee, ze stonden duidelijk in Het Kapitaal. Het gaat hier niet om zomaar een vluchtige beschouwing, want ook in andere werken komen die ideeën terug: "De kapitalistische productie kan de techniek en het geheel van het proces van de maatschappelijke productie slechts ontwikkelen, door tegelijkertijd de bronnen van alle rijkdom te ondermijnen: de grond en de boer (arbeider)." [1]

Dit lijkt mij een fundamentele stelling in het werk van Marx, die we ook terugvinden in zijn geschriften uit 1840, maar zij zijn ongetwijfeld nergens zo uitgesproken als hier. De stelling is kort, maar laat geen enkele twijfel over de interpretatie ervan. Marx verbindt de uitbuiting (of de uitputting) van de natuurlijke rijkdommen met de uitbuiting van de mens. Wij marxisten hebben ons vooral beziggehouden met de uitbuiting van de loonarbeid. De theorieën van Marx daarover zijn het meest uitgewerkt en bekend bij het grote publiek. Maar in dat korte uittreksel uit Het Kapitaal stelt Marx duidelijk dat er twee soorten rijkdommen zijn, de natuur en de arbeid, en dat het kapitaal niet anders kan dan die twee bronnen te plunderen. Op basis van de kennis die we nu hebben over de omvang van de ecologische crisis, zou men vandaag een vierde deel van Het Kapitaal kunnen schrijven, uitgaande van die stelling, waarvoor Marx de mogelijkheid niet gehad heeft om ze verder uit te werken en waarvoor hij destijds ook te weinig kennis had.

Sommigen merken op dat Marx op andere plaatsen minder duidelijk was in zijn kritiek op de kapitalistische plundering van de natuur. Dat is heel goed mogelijk. Ook de grootste geest maakt wel eens fouten. Ik zeg niet dat er in Het Kapitaal een volledig uitgewerkte theorie van de marxistische ecologie te vinden is. Maar er is zeker een aanzet om een dergelijke theorie op te bouwen. En de elementen waarover sprake zijn zeker niet terloops of tegenstrijdig met het geheel van zijn economische theorie. Neem de kritieken van Marx op het Programma van Gotha. In dat programma formuleerde de Duitse socialist Lassale een stelling die voor ongeoefende oren een duidelijk marxistische toon had: "arbeid is de bron van alle rijkdom". Marx ging met die stelling helemaal niet akkoord. Voor hem was die stelling niet radicaal maar burgerlijk: "Arbeid is niet de enige bron van rijkdom. De natuur is evenzeer bron van gebruikswaarde (waaruit materiële rijkdom is opgebouwd), zoals de arbeid. Arbeid is trouwens slechts een uiting van een natuurkracht, namelijk de kracht van menselijke arbeid."

In Het Kapitaal schrijft Marx ook: "De arbeid is dus niet de enige bron van de gebruikswaarde die hij produceert, van de materiële rijkdom. Deze heeft als vader de arbeid en als moeder de aarde." Marx legt er hier de nadruk op dat de natuur aan de bron ligt van de gebruikswaarde. En, volledig in de geest van de huidige groene ideeën, dat de mens deel uitmaakt van de natuur en dat hij zich niet boven de natuur mag plaatsen. In laatste instantie is arbeidskracht ook een natuurlijke kracht. Engels voegt daaraan toe dat als de mens de natuur onderwerpt, de natuur zich wreekt en de resultaten van de menselijke inspanningen vernietigt. Engels voorziet ook dat in de toekomst de mens meer kennis zal hebben - door bittere ervaringen en met talrijke ups en downs - over de indirecte, verborgen effecten van onze productieve activiteit op de natuur. Engels wijst er ook op dat een dergelijke opvatting en een dergelijke veranderde manier van optreden niet alleen te maken hebben met kennis, maar dat zij ook een revolutie vereisen in de manier van produceren. [2]

Marx maakte een onderscheid tussen de gebruikswaarde en de ruilwaarde. Later verdiepte hij zijn studie over de goederen en de dagelijkse ruil van goederen. Hij onderzocht hoe de gebruikswaarde tot stand kwam en hoe ze op de markt verscheen. Natuurlijk spreken we hier over de ruilwaarde, en Marx heeft de rest van zijn leven alle aspecten van dat probleem onderzocht. Wij kunnen de kritiek maken dat hij heeft nagelaten om het probleem van de vernietiging van de natuur door het kapitalisme verder uit te diepen.

Maar het marxisme moet zich ontwikkelen op basis van de praktijk en wij moeten beseffen dat de kennis die verband houdt met de relatie tussen kapitalisme en natuur veel uitgebreider is dan in de tijd van Marx. Marx kon dan ook alleen maar een aanzet tot een theorie schetsen, terwijl de huidige marxisten over talrijke feiten beschikken, op basis waarvan zij een uitgewerkte marxistische theorie kunnen uitwerken. De milieucrisis was oorspronkelijk plaatselijk. De laatste honderd jaar heeft zij zich echter ontwikkeld tot een potentiële bedreiging, zelfs tot een algemene crisis met talrijke gevolgen.

Talrijke marxisten hebben reeds ernstig onderzoek gedaan rond die problemen, maar in de ganse geschiedenis van het marxistisch denken is op dat terrein in feite nog maar weinig tot stand gebracht. Een marxistische theorie van politieke ecologie moet steunen op een ernstige basis en mag niet zomaar een samenraapsel zijn van allerlei ideeën, zoals we al te dikwijls bij links meemaken. Als uitgangspunt stel ik drie centrale aspecten van de theorieën van Marx voor, om vandaar uit verder te werken aan deze uitbreiding van de marxistische theorie: 1. de theorie van de kapitaalaccumulatie; 2. de theorie van de grondrente; 3. de theorie van de vervreemding.

1. De theorie van de kapitaalaccumulatie

De basisformule die de circulatie van kapitaal beschrijft, is: geld - goederen - geld. Het uitgangspunt van de kapitalisten is de eigendom van het kapitaal. Door kapitaal te investeren in de productie van goederen streven zij ernaar om er nieuw kapitaal uit te halen, meer kapitaal. Als op het einde van de omloop het nieuwe kapitaal niet groter is dan het oorspronkelijke, dan zijn alle inspanningen zinloos. Als het kapitaal niet groeit, dan is de eigenaar ervan geen kapitalist, maar integendeel een verbruiker van kapitaal. Als loonarbeiders worden wij geconfronteerd met een andere vorm van warencirculatie. Wij beschikken slechts over één waar: onze arbeidskracht. Die verkopen wij en in ruil krijgen wij geld dat wij gebruiken om andere waren te kopen. In dat proces is geld slechts een middel waardoor wij onze arbeidskracht kunnen ruilen tegen de arbeidskracht van andere arbeiders. In dat proces wordt geen meerwaarde geproduceerd. Door onze arbeidskracht te verkopen, krijgen wij toegang tot andere gebruikswaarden. Het is een omloop van gebruikswaarde. Voor het kapitaal daarentegen, is de gebruikswaarde slecht een middel voor het echte doel, namelijk de ruilwaarde. Die twee processen zijn fundamenteel verschillend. Zij hebben betrekking op twee totaal verschillende maatschappijen. Maar tegelijkertijd hangen zij samen in een dialectische relatie, binnen de tegenstrijdige realiteit van het kapitalisme. De formule van de kapitaalcirculatie is dus: geld - goederen - geld, of uitgedrukt volgens de standaardformule

A --> M --> A' (waarbij A' > A)

Die formule is een formule van onbeperkte groei. Het proces moet zich noodzakelijkerwijs een onbeperkt aantal keren herhalen. Dat is de geschiedenis zonder einde van de kapitalistische accumulatie. In de Grondprincipes stelt Marx dat de groei van de productieve krachten het kapitaal in waarde doet verminderen. Een kapitalist die niet meedoet aan de groeispiraal, zal daarom onvermijdelijk de reële waarde van zijn kapitaal zien verminderen. Accumulatie of de dood: dat is de bijbel van alle kapitalisten, hoe menslievend ze zich ook voordoen. Zodra de kapitalist erin slaagt een overschot te realiseren, zijn kostbare A' te verzekeren, is hij verplicht aan de volgende spelronde deel te nemen. Dezelfde wet is van toepassing op A' als op A. De kapitalist zal ongetwijfeld een deel van het overschot voor zichzelf reserveren, voor de consumptie van luxegoederen, voor zijn maîtresse of weet ik veel wat ... Maar hij moet opnieuw in de carrousel stappen, met een hogere inzet als in de eerste ronde. Hij moet A' investeren, volgens de nieuwe formule

A' --> M' --> A" (waarbij A" > A')

De nieuwe A" moet groter zijn dan A', anders zal de kapitalist weldra ten prooi vallen aan andere roofdieren in de marktjungle. Dat proces verloopt daarna steeds verder, tot in het oneindige.

Aéén-miljoen moet geïnvesteerd worden om Aéén-miljoen-en-één te worden. De enige uitzondering hierop vormt de ineenstorting van het systeem, als de kapitaalcirculatie verstoord wordt. Daarbij worden grote hoeveelheden productieve krachten vernietigd en wordt de basis gelegd voor een nieuwe start, op een lager niveau. Maar eens het proces opnieuw opgestart, bereikt en overtreft het al snel het hoogtepunt van voor de depressie. Op die manier is het proces van kapitaalcirculatie onvermijdelijk een proces van onbeperkte groei.

Uit de eenvoudige bovenstaande formule kunnen wij nog een aantal andere belangrijke besluiten trekken.

Eén. Wij kunnen wiskundig vaststellen dat het hier over een proces gaat dat tot monopolisering leidt. Het grote kapitaal slorpt het kleine kapitaal op. Alleen diegenen die het nodige kapitaal hebben om in de nieuwste machines te investeren, blijven in de race. Elke nieuwe fase in het accumulatieproces vereist een hogere inbreng, die buiten het bereik ligt van de kleine garnalen.

Twee. Wij kunnen afleiden dat de spiraal zich zal versnellen omdat elke kapitalist die erin slaagt om vóór zijn concurrenten een hoger niveau te bereiken, over hen een dominante positie zal innemen en zijn kapitaal sneller zal zien toenemen. De alom gekende onteigening van het kleine kapitaal door de grote monopolies, waar wij vandaag op grote schaal getuige van zijn, is het logische resultaat van het basisproces A --> M --> A'.

Daaruit kunnen wij besluiten dat het kapitalisme in dat proces steeds meer maagdelijke natuur zal moeten gebruiken dan nodig is, en ze zal omvormen in waren. De laatste tientallen jaren hebben wij daarvan een overtuigend bewijs gezien. In de tijd van Karl Marx domineerde het kapitalisme slechts een beperkt deel van de wereld. Toen mijn grootvader in 1869 geboren werd, leefde slechts een minderheid van de Noorse bevolking in een economie die gebaseerd was op geld. Loonslavernij als belangrijkste vorm van uitbuiting overheerst in Noorwegen dus slechts sinds drie (lange) generaties. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog leefde het grootste deel van de mensheid nog steeds buiten de geldeconomie, ook al was de invloed van dat systeem al groot. Sindsdien heeft het kapitalisme de wereld helemaal veroverd, van de verste uithoek van de Braziliaanse jungle tot het diepste punt van de oceanen. Ongerepte oerwouden worden vandaag geplunderd voor gebruikswaarden die omgevormd worden tot waren. Mijnbouwmaatschappijen ontginnen mangaanlagen of petroleum- en gasvoorraden diep in zee, kilometers onder de oppervlakte. De Noord- en Zuidpoolgebieden worden ingeschakeld voor de warenproductie, net zoals de geostationaire banen om de aarde. Zelfs de bouwstenen van het leven, de genen, worden gepatenteerd en omgevormd tot waren. Daarmee wordt de voorspelling van Marx en Engels in het Manifest bevestigd, waarin zij beschrijven hoe het kapitaal alle dingen, met inbegrip van de menselijke eer en waardigheid, tot waren omvormt.

Toen het kapitalisme nog een plaatselijk of zelfs nationaal fenomeen was, waren de gevolgen voor de slachtoffers weliswaar weerzinwekkend, maar minder catastrofaal. De enorme omvang van het internationale kapitalisme vandaag voegt een nieuwe dimensie toe aan het probleem. Hoe meer het kapitalisme de natuur tot het uiterste drijft, hoe kleiner de mogelijkheden van de natuur worden om de verstoringen op te vangen. De vervuiling van de oceanen en het poolijs, het gat in de ozonlaag en de algemene opwarming van de aarde, zijn allemaal gevolgen van het kapitalisme dat steeds meer het milieu omvormt tot een waar. Het marktkapitalisme maakt het milieu overal ter wereld kwetsbaarder. Stel je voor dat de laboratoria, in hun zoektocht naar maximale winst, per ongeluk een virus creëren zoals het HIV (het AIDS-virus), dat zich efficiënter zou verspreiden, bijvoorbeeld via de lucht of het water. Dat zou een vergiftigd geschenk zijn van de weldadige mechanismen van de vrije markt!

2. De theorie van de grondrente

De grondrente ontstaat door de schaarsheid aan grond. Dat leidt onvermijdelijk tot een monopolisering van de gronden door de grondeigenaars. Door die voordelige positie kunnen de grondbezitters aanspraak maken op een inkomen, een vergoeding, een huur, een rente, en dit zowel voor de landbouwgronden, de mijnen, de petroleumvelden als voor de percelen in de stad. Marx heeft het over twee soorten, twee niveaus van rente. De eerste soort rente is van toepassing op elk stuk land, op basis van de armste grond in gebruik. De andere rente is van toepassing op gronden die een bepaald voordeel bieden, omdat de grond rijk is, kort bij de markt ligt, goed onderhouden is, enz. Door dat voordeel behaalt de eigenaar een bijkomende winst, een bijkomende grondrente.

Het imperialisme heeft op internationaal vlak het recht veroverd om via die grondrente winst te halen uit het collectief kapitaal van de mensheid. Op basis van de theorie van de grondrente zou Congo één van de rijkste landen ter wereld kunnen zijn. Het land bezit een overvloed aan koper, goud, diamant en andere mineralen zodat de grondrente er enorm hoog had moeten zijn. Maar het kolonialisme en het imperialisme hebben die grondrente van Congo geplunderd vanaf de periode waarin Congo nog het persoonlijk wingewest van koning Leopold II was. Die rooftocht gaat vandaag verder onder het juk van multinationals zoals Union Minière.

Kijken we naar de petroleumindustrie, dan kunnen we niet zeggen dat het geheel van de winst het resultaat is van de uitbuiting van de arbeiders uit de petroleumindustrie. Hun surplus aan arbeid komt bij de grondrente, bij de winst die het resultaat is van een realisatie van de grondrente. Er is een monopolie op het grondbezit. In het geval van Noorwegen is de staat eigenaar van de Noordzeebodem; zij verhuurt die aan kapitalistische multinationals. De staat strijkt op basis van dat monopolie een deel van de grondrente op, maar wij gaan ervan uit dat een deel van de grondrente ook naar de multinationals gaat. Door hun bevoorrechte positie zijn zij in staat om een deel van die rente op te strijken.

In de loop van de laatste honderd jaar zijn wij getuige van een uniek fenomeen. Petroleum en gas zijn de belangrijkste energiebronnen ter wereld geworden. Als we er de steenkool bij nemen, dan vertegenwoordigen de fossiele brandstoffen meer dan 90 % van de wereldwijde energieconsumptie. Zij zullen waarschijnlijk binnen 250 jaar uitgeput zijn, alleszins de petroleumvoorraden. Daarna zal er geen petroleum meer zijn voor de komende generaties.

Volgens de waardetheorie is de ruilwaarde van een product gelijk aan de in dat product geïnvesteerde arbeid. Dat is ook zo voor petroleum. Maar aangezien de petroleumreserves beperkt zijn, en niemand nieuwe petroleum in de petroleumvelden zal pompen, zou de eindafrekening verschillend kunnen zijn. Omdat het kapitalisme bezig is om de erfenis van de hele mensheid te consumeren - niet alleen van deze, maar ook van de komende generaties - kan men stellen dat het een zware hypotheek op die erfenis legt. Het bedrag van deze factuur zal gelijk zijn aan de kostprijs voor het ontwikkelen van valabele alternatieven. Onze achter-achter-kleinkinderen zullen niet alleen gebrek hebben aan petroleum, zij zullen ook geen olie meer hebben om hun fietsen te smeren, of grondstoffen om plastic te produceren ... Naast de productiekosten van petroleum en gas, zou de petroleum- en gasfactuur voor het kapitalisme eveneens de kosten moeten omvatten van het op punt stellen van doeltreffende alternatieven en de kosten om de petroleumverspilling op te kuisen. Voortbordurend op de grondrente, kunnen we vandaag stellen dat het kapitalisme een super-grondrente incasseert, een derde rente, verschillend van de twee andere, ten koste van de komende generaties.

Die redenering geldt voor alle niet-hernieuwbare bronnen die het kapitalisme verbruikt. Dezelfde logica kunnen we ook toepassen op hernieuwbare bronnen: de prijs voor het gebruik van drinkbaar water zou eveneens de prijs moeten omvatten om het vervuilde water te zuiveren.

Als we dat soort rekening maken, dan is het duidelijk dat de weldaden van het kapitalisme maar miserabel zijn, zonder dan nog te spreken over zijn weerzinwekkende wreedheid, vooral in de kolonies. Dan krijgen we een heel andere kijk op het ogenschijnlijk succes van het kapitalisme. Wie zal de rekening betalen eens de grote productie van offshore-petroleumvelden zal afgelopen zijn? De petroleummaatschappijen denken zich ervan te kunnen afmaken door de boorplatformen op te blazen en een hoop oud ijzer op de bodem van de oceaan achter te laten, wat erop neerkomt dat de rekening doorgeschoven wordt naar de komende generaties. Men zou de petroleummaatschappijen natuurlijk ook kunnen vragen om de installaties te ontmantelen en te recycleren. Het kapitalisme bedriegt de maatschappij door enkel het winstgevend deel van het productieproces te aanvaarden en de kost ervan te verhalen op de samenleving, en vooral dan de toekomstige samenleving.

Door de theorie van Marx over de grondrente verder te ontwikkelen, krijgen we een aantal kritische gegevens over de kapitalistische economie. Een dergelijke theoretische ontwikkeling zou de verdedigers van het kapitalisme verder ondermijnen en zou bijdragen tot een beter begrip van de oorsprong van de superwinsten die het kapitalisme vandaag realiseert.

3. De theorie van de vervreemding

In zijn economische en filosofische geschriften beschrijft Marx het kapitalistisch productieproces als een proces waarbij het product van de arbeid aan de arbeider verschijnt als iets vreemds, als iets dat van hem losstaat. Vanuit het gezichtspunt van de nationale economie neemt dit de vorm aan van een verwijdering van de arbeider van de realiteit, van een "verlies van het product en een onderworpenheid eraan". In de loop van dit vervreemdingsproces wordt de arbeider elke controle of concrete relatie met het product van zijn arbeid ontnomen. Hij wordt herleid tot iemand met één enkele capaciteit: zijn arbeidskracht. Dat vervreemdingsproces is het proces van de omvorming van de arbeider tot proletariër.

Voor het kapitaal is die vervreemding van de arbeider dwingend; het is de basis van de productie van meerwaarde. Het is dus geen onbelangrijk, secundair aspect, maar integendeel een wezenlijk bestanddeel van het werkelijk karakter van het kapitalisme.

Iedereen die begaan is met het milieu beseft dat het beheer van de natuurlijke rijkdommen op lange termijn de inzet van alle leden van de maatschappij veronderstelt. De vervreemding van de loonslavernij is daaraan volledig tegengesteld. Het zou getuigen van misplaatst gemoraliseer om de arbeiders medeverantwoordelijk te maken voor de ecologische gevolgen van de economische activiteit en van het productieproces waarvan zij totaal vervreemd zijn. Het is dan ook duidelijk dat de afschaffing van de loonslavernij onontbeerlijk is om een maatschappij met een gezond leefmilieu tot stand te brengen. De bevrijding van de arbeidersklasse door de arbeidersklasse is dus een noodzakelijke voorwaarde om effectief strijd te voeren tegen milieurampen. De strijd om een algehele milieucatastrofe te voorkomen wordt dan ook een wezenlijk onderdeel van de strijd op alle terreinen voor de volledige politieke, economische en psychologische bevrijding van de mensheid.

Op basis van deze drie fundamentele stellingen van het marxisme, denk ik dat het mogelijk is om een hernieuwd marxisme te ontwikkelen voor de 21e eeuw. Een marxisme dat nieuwe impulsen kan geven aan de arbeidersbeweging en revolutionair links. Tegelijkertijd zou het kunnen vermijden dat de milieubeweging gefrustreerd wegkwijnt of door het kapitalisme gerecupereerd en verminkt wordt.


Pål Steigan is voorzitter geweest van de AKP (Arbeiders kommunistische partij, Noorwegen). Hij schreef een boek (in het Noors) over de milieuproblemen in China en de Sovjet-Unie.

Noten